By

De casus van oma Toni (mevrouw Heeremans-de Jong) is wellicht voor een ieder bekend. De 96-jarige vrouw werd op 19 maart 2015 op klaarlichte dag in de Amsterdamse Pijp neergestoken. De dader, Vino H., stak haar vier keer met een mes in het hoofd en in de buik. Drie weken later overleed oma Toni. Verdachte heeft zichzelf diezelfde dag aangegeven bij de politie. Lichtelijk voorspelbaar was het verweer van de verdachte over het bestaan van de causaliteit tussen het neersteken en de dood van oma Toni. Verrassend is echter dat het Brabants Dagblad kopte met ‘’Twijfel in rechtszaal over wie oma Toni neerstak’’.[1] Kan het zo zijn dat een verdachte wordt vrijgesproken ondanks zijn eigen bekentenis?

De eerste materiële vraag van art. 350 Sv luidt: is de tenlastelegging bewezen?  Op 7 maart 2016 acht de rechtbank Amsterdam het bewezen dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft neergestoken. Er is voldoende bewijs, omdat ten eerste de verklaring van oma Toni vlak na het steekincident (grotendeels) overeenkomt met de camerabeelden ten tijde van het steekincident. Ten tweede heeft verdachte een uur na het steekincident bij de politie verklaard een vrouw te hebben neergestoken. Verdachte heeft vanaf het begin, en nadien meermalen, uitgebreid en gedetailleerd verklaard over hoe hij het slachtoffer heeft uitgekozen, haar heeft neergestoken en zijn motieven. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de advocaat van verdachte dat, in essentie, doelt op een te onzeker verband tussen Vino H. en het steekincident.

Door de positieve beantwoording van de eerste materiële vraag, kon er geen vrijspraak meer volgen. De camerabeelden vormden samen met de bekentenis van de verdachte voldoende bewijs. Er is in deze zaak geen sprake van het welbekende één bewijs is géén bewijs en de rechter is terughoudend met vrijspraak nu er twee bewijsmiddelen aanwezig zijn. Dit is in lijn met artikel 342 lid 2 Sv. De kop van het Brabants Dagblad is hiermee onderuit gehaald.

De rechtbank vervolgt met beantwoording van de volgende drie materiële vragen. Het tenlastegelegde loopt spaak op de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens op het moment van de delictsgedraging, kan het bewezen geachte feit verdachte niet worden toegerekend. Ontslag van alle rechtsvervolging volgt, maar als maatregel wordt TBS opgelegd.[2]

[1] Brabants Dagblad 23 februari 2016, p. 4.

[2] Rb. Amsterdam 7 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1139.

About the Author

Iris schrijft sinds februari 2015 artikelen en blogs voor SecJure. Masterstudente Ondernemingsrecht. LLB in internationaal en Europees recht.

 

Leave a Reply