Sporters schuwen het nemen van risico en het opzoeken van uitdaging en competitie ten behoeve van het verleggen van hun eigen grenzen doorgaans niet. Het is een gegeven dat de aard van sport kans op letsel met zich meebrengt. Sporters weten dat sommige risico’s inherent zijn aan de sportbeoefening en nemen deze op de koop toe.[1] Zo aanvaardt een honkbalspeler die het veld betreedt het risico door een bal geraakt te worden. De sporter dient een bepaalde, verantwoordelijke houding aan te nemen, maar ook op de sportvereniging rusten verplichtingen. Deze maakt de sportbeoefening immers mogelijk.

 

Blijkens rechtspraak van de Hoge Raad rust er een zorgplicht op sportverenigingen jegens sporters. De zorgplicht geeft uiting aan de bescherming van de sporter door de organisatie. Echter, terwijl bijvoorbeeld de zorgplicht van hulpverleners is opgetekend in artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de zorgplicht van werkgever jegens werknemer in artikel 7:658 BW, omvat de wet geen bepalingen die specifiek op sport(actoren) zijn gericht. Het recht omtrent sport raakt diverse rechtsgebieden. Bij het vraagstuk omtrent de reikwijdte van de zorgplicht van een sportvereniging jegens sporters wenden we ons tot het burgerlijk recht en de jurisprudentie.

 

Tussen sportdeelnemers onderling gelden andere normen ter bepaling van aansprakelijkheid dan tussen sporters en niet-deelnemers zoals verenigingen. Sportverenigingen vervullen een dominante rol in het creëren van de voorwaarden en de omstandigheden van de sportbeoefening. Het zijn normerende organisaties die regels stellen, deelname bevorderen en sportbeoefening tegen een lage prijs aanbieden. Dit streven naar het realiseren van sportbeoefening draagt bij aan maatschappelijke doelstellingen. Sportverenigingen beschikken vaak over meer informatie met betrekking tot risico’s en zijn beter in staat deze te elimineren dan wel te verzekeren.[2] Zij dienen bedacht te zijn op de aan sport verbonden risico’s, onder meer bij het beschikbaar stellen van de sportaccommodatie, het organiseren van competities en het aanbieden van trainers. Ook behoren ze bepaalde zorgvuldigheids- en veiligheidsnormen ten aanzien van de sportbeoefening door leden in acht te nemen. Voor verwezenlijking van de aan sport inherente risico’s en gevaren is een sportvereniging niet aansprakelijk. Bij honkbal worden bijvoorbeeld veel korte, krachtige bewegingen van het lichaam gevraagd. Dit brengt een algemeen blessurerisico met zich mee. Een sportvereniging kan noch hoeft te verhinderen dat iemand uitglijdt, valt of een bal tegen zich aankrijgt. Wel rust op de sportvereniging onder meer de verantwoordelijkheid van het toezien op het uitvoeren van een goede opwarming door de sporters, zodat zij minder kans lopen dat spieren tijdens de sportbeoefening scheuren.

 

Er is sprake van onrechtmatig handelen of nalaten door een sportvereniging bij gevaren die dankzij een sportvereniging in het leven zijn geroepen of blijven voortduren doordat niet voldaan is aan de zorgplicht. Op basis van het Kelderluik-arrest zijn de door de Hoge Raad in de rechtspraak gegeven signalen omtrent gevaarzetting analoog van toepassing op situaties bij sportverenigingen.[3] Deze criteria behelzen de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid (onder meer in termen van kosten, tijd en moeite) van de te nemen veiligheidsmaatregelen.[4] Voorzienbare en potentiële gevaren moeten zoveel als redelijkerwijs mogelijk voorkomen worden middels het treffen van veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van de verwezenlijking van risico’s. Hoewel de sportwereld relatief autonoom is op het gebied van regels, opvattingen en waarden en normen, neemt de Hoge Raad bij het beoordelen van gevallen waarin een sportsituatie leidt tot personenschade de ‘sportomstandigheid’ dus niet mee. De afwegingen van de Hoge Raad vinden daarentegen plaats aan de hand van de Kelderluik-criteria, de redelijkheid en de billijkheid en alle omstandigheden van het concrete geval. Een geslaagd beroep op de actie uit onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW getuigt van een schending van veiligheidsnormen van de zorgplicht die blijkens jurisprudentie op de sportvereniging rust. Aansprakelijkheid kan op grond hiervan gevestigd worden. Uit rechtspraak van de Hoge Raad vloeien verplichtingen voort die tot de zorgplicht van een sportvereniging gerekend worden en blijkt dat de zorgplicht die op de verenigingen rust vergaand is.

 

In het Disloque-arrest schoot een sportvereniging tekort in de zorg die redelijkerwijs jegens de deelnemers van de training mocht worden verwacht. Een turnster liep letsel op toen een zogeheten disloque-oefening misging onder leiding van een door de vereniging aangestelde trainster, die door een gebrek aan ervaring met deze oefening niet bekwaam hulp kon verlenen aan de turnster. De trainster had dit weliswaar doorgegeven aan de vereniging, doch daar was niets mee gedaan. De Hoge Raad oordeelde dat de vereniging aansprakelijk was voor de gevolgen van de val wegens het niet naleven van veiligheidsnormen en het onvoldoende treffen van maatregelen om de gevolgen van een val te voorkomen. Een vereniging draagt, als professionele partij, de verantwoordelijkheid voor het aanstellen van deskundige trainers. Hoewel bij de onderhavige activiteiten een val met risico op zeer ernstig letsel op zichzelf niet vermeden kan worden, is het treffen van veiligheids- en voorzorgsmaatregelen ter voorkoming of beperking van de gevaren geboden. Daarnaast stelde de Hoge Raad in deze zaak dat letsel dat buiten de normale lijn der verwachtingen ligt ook aan degene die de veiligheidsnorm schendt mag worden toegerekend.[5]

 

Het gegeven dat de organisator van een sport- en spelactiviteit verantwoordelijk is voor het treffen van voorzorgsmaatregelen, blijkt uit het Skeeler-arrest. Een vrouw droeg tijdens een beginnerscursus skeeleren (die georganiseerd werd door Eurosportief) geen helm. Zij viel op haar hoofd en overleed de volgende dag. In lijn met het Disloque-arrest oordeelde de Hoge Raad dat Eurosportief in strijd met haar maatschappelijke zorgplicht handelde door na te laten toereikende veiligheidsmaatregelen te nemen. Er was slechts vermeld dat cursisten een helm konden pakken indien zij daar behoefte aan hadden. De cursisten hadden voorafgaand aan de skeelercursus voor beginners indringend gewaarschuwd moeten worden voor de gevaren van skeeleren, zodat ieder van hen voorzien van een juiste risicoperceptie een weloverwogen beslissing kon nemen om al dan niet beschermingsmiddelen te dragen. Volgens de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt had de organisator van de skeelercursus het dragen van een valhelm dringend moeten adviseren aan de cursisten.[6] Uit het Jetblast-arrest van de Hoge Raad volgt dat waarschuwingen duidelijk en effectief moeten zijn, opdat de maatregelen het beoogde effect bewerkstelligen. Om het beoogde effect te bereiken kan onder andere nodig zijn dat gebruik wordt gemaakt van duidelijkere bewoordingen of meer dan wel gedetailleerdere informatie.[7] Indien binnen Eurosportief niet verzuimd was dringend en effectief te adviseren een valhelm te dragen, hadden de gevolgen van een val op het hoofd beperkter kunnen blijven. Op organisatoren van een sport- en spelactiviteit rust tevens een schadebeperkingsplicht: de schade van het slachtoffer moet beperkt worden als zich een ongeval voordoet.

 

De omvang van de zorgplicht van een sportvereniging is vergaand, maar niet absoluut. Het doorvoeren van maatregelen die iedere vorm van letsel voorkomen is verre van vereist, noch gewenst. Het uitoefenen van bepaalde sporten zou dan onmogelijk worden en ten aanzien van enkele risico’s kunnen simpelweg geen maatregelen genomen worden. De heersende opvatting bij non-contactsporten is dat “de aard van de gedraging – de sportbeoefening – niet in de weg staat aan het nemen van uitgebreide voorzorgsmaatregelen door de organisatie, althans voor zover deze geen belemmering vormen voor het adequaat beoefenen van de sport.”[8] Sportverenigingen moeten binnen dit kader afhankelijk van de omstandigheden van het geval al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is doen teneinde gevaren te voorkomen of te beperken. Hiertoe dienen maatregelen getroffen te worden zoals het opstellen van gedragsregels, inlichtingen verschaffen omtrent waarden en normen binnen de sport, de kwaliteit van hulpmiddelen waarborgen die tijdens de sport gebruikt worden zoals een knuppel of handschoen, actief coachen en toezicht houden tijdens wedstrijden. Wat precies vereist is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Te allen tijde moet de sportvereniging stilstaan bij de niet te verwaarlozen mogelijkheid van verwezenlijking van een gevaar en met het oog daarop de kans op schade door een ongeval trachten te voorkomen en/of beperken.

 

De vereniging draagt er verantwoordelijkheid voor dat sporters de regels kennen, maar zij moet erop vertrouwen dat de sporters zich aan de regels houden. Van sportverenigingen wordt het treffen van de nodige, redelijkerwijs mogelijke maatregelen gevergd ter voorkoming of beperking van schade. De vereniging dient de mogelijkheid te creëren tot sportbeoefening op een veilige wijze en tegelijkertijd behoren sporters zich op dusdanige wijze te gedragen dat er geen extra risico op letsel ontstaat. Bij het beoefenen van sport dient mijns inziens daarom telkens een balans te worden gezocht tussen de autonomie van de sporter die beoogt zijn grenzen te verleggen en de bescherming van de sporter tegen de aan de sport verbonden risico’s.

 

 

Hartlief e.a. 2018

  1. Hartlief e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 5) (achtste druk), Deventer: Wolters Kluwer 2018.

 

Van Kleef, Vermogensrechtelijke Analyses 2010, p. 3 – 14

R.H.C. van Kleef, ‘Wie niet waagt, die niet wint. De spanning tussen autonomie en bescherming van de sporter in het aansprakelijkheidsrecht’, VrA 2010, afl. 2, p. 3 – 14.

 

Vermeulen, AA 2006/55, p. 692 – 700

  1. Vermeulen, ‘Aanscherping van de veiligheid binnen sport met behulp van zelfregulering voor en door sportorganisaties’, AA 2006/55, afl. 10, p. 692 – 700.

 

 

HR 6 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1836 (Disloque).

 

HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4042 (concl. P-G Hartkamp) (Skeeler).

 

HR 28-05-2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO4224 (concl. P-G Hartkamp) (Jetblast).

HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik).

[1] Hartlief e.a. 2018, p. 48.

[2] Van Kleef, VrA 2010, afl. 2, p. 11.

[3] Vermeulen, AA 2006/55, afl. 10, p. 694.

[4] HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik), r.o. 13.

[5] HR 6 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1836 (Disloque), r.o. 3.7.

[6] HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4042 (Skeeler), concl. P-G Hartkamp overweging 4.6.

[7] HR 28-05-2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO4224 (Jetblast), concl. P-G Hartkamp overweging 19.

[8] Van Kleef, VrA 2010, afl. 2, p. 3.