By

Euthanasie is een zwaar onderwerp, dat ook nog complex gemaakt wordt door de kruising van geneeskunde, ethiek en het recht. In 2002 heeft de wetgever besloten dat het wenselijk was een strafuitsluitingsgrond op te nemen voor een arts, die met inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, hulp bij zelfdoding heeft verleend. De Euthanasiewet trad in werking. In de loop van de jaren na de inwerkingtreding, is de discussie betreffende de reikwijdte van deze wet steeds meer aangewakkerd. Vooral de vraag of er euthanasie gepleegd mag worden door een arts, wanneer de patiënt van mening is dat zijn leven voltooid is, staat hierbij centraal. Afgelopen oktober nam het kabinet het besluit de Euthanasiewet te gaan verruimen voor deze groep patiënten. Hierbij gingen ze dwars in tegen het advies van de commissie Schnabel.

 

De Euthanasiewet

Onder art. 293 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is hulp bij zelfdoding strafbaar gesteld. Sinds 2002 is onder lid 2 een uitzondering geformuleerd. Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen. Deze zorgvuldigheidseisen staan geformuleerd in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, kortweg de Euthanasiewet. Er staan in de wet zes zorgvuldigheidseisen opgesomd, waar aan alle zes aan voldaan moet worden. Zo moet er sprake zijn van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt en moet de arts ervan overtuigd zijn dat het verzoek van de patiënt om euthanasie vrijwillig en weloverwogen was.

Een patiënt kan zijn verzoek op hulp bij zelfdoding vastleggen in een wilsverklaring. Hierin staat dan ook onder welke omstandigheden de patiënt wenst dat de arts de euthanasie uitvoert. Een patiënt kan een verzoek doen vanaf de leeftijd van zestien jaar. Een minderjarige patiënt vanaf twaalf jaar, heeft hierbij ook de toestemming van ouders of voogd nodig.

Er zijn regionale toetsingscommissies opgericht die beoordelen of de artsen die euthanasie hebben uitgevoerd, zich hebben gehouden aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen. Als een commissie concludeert dat er niet aan alle eisen voldaan is, geeft zij een negatief advies aan het Openbaar Ministerie. Pas dan komt het OM in actie. In zo’n toetsingscommissie zit in elk geval een arts, een ethicus en een jurist. Naast hun beoordelingstaak, moeten de commissies ook jaarlijks een verslag uitbrengen met een overzicht van het aantal gemelde gevallen van euthanasie, de aard van deze gevallen en een selectie van de oordelen en de afwegingen die artsen hebben gemaakt.

 

De discussie omtrent het voltooid leven

Sinds de inwerkingtreding van de wet zijn er al diverse discussies opgelaaid over de reikwijdte van de wet. Middels richtlijnen, adviezen en rechtspraak is er al een aardige invulling gegeven aan deze reikwijdte. Zo is al duidelijk geworden dat ook een opeenstapeling van ouderdomsklachten, samen met verlieservaringen op andere terreinen, tot ondraaglijk en uitzichtloos lijden aanleiding zou kunnen geven.[1] Daarnaast zijn er ook specifieke mogelijkheden gecreëerd voor het verzoeken en plegen van euthanasie, voor als er sprake is van een verlaagd bewustzijn van de patiënt.[2]

De vraag die lang onbeantwoord bleef, is de vraag of de wet zo ver moet reiken dat ook een voltooid leven een aanleiding zou kunnen zijn voor euthanasie. Met een ‘voltooid leven’ bedoelt men een hele persoonlijke conclusie van mensen die veelal op leeftijd zijn en naar hun eigen oordeel geen positief levensperspectief meer hebben. Vooral de situaties waarbij dit voltooid leven geen medische grondslag kent staan ter discussie, omdat er voorheen niet vanuit werd gegaan dat deze onder de reikwijdte van de Euthanasiewet vielen.

In Brongersma, een arrest uit 2002, stond de dood van de 86-jarige heer Brongersma centraal. Hij worstelde met de aftakeling en zinloosheid van zijn bestaan. Zijn huisarts, de heer Sutorius, heeft hem vervolgens geholpen met de zelfdoding. De Hoge Raad besliste dat een medisch classificeerbare somatische of psychische aandoening of ziekte noodzakelijk is voor een gerechtvaardigd beroep op noodtoestand. Bij deze beslissing is de totstandkoming van de Euthanasiewet in acht genomen. Na dit arrest leek het dus duidelijk dat de Euthanasiewet een medische grondslag vereist voor het lijden dat in aanraking kan komen voor euthanasie.[3]

De discussie ligt dan een tijd stil tot er een burgerinitiatief tot stand komt. Op 18 mei 2010 biedt een groep genaamd ‘Uit Vrije Wil’ het burgerinitiatief aan om het onderwerp van voltooid leven op de politieke agenda te krijgen. De groep pleit voor de verruiming van de Euthanasiewet om stervenshulp  te kunnen bieden aan mensen die hun leven voltooid achten. Op 8 mei 2012 werd het initiatief plenair behandeld in de Tweede Kamer. Het kabinet werd opgeroepen om in de wetsevaluatie van de Euthanasiewet ook het burgerinitiatief te betrekken. Het kabinet trok toentertijd de conclusie dat het burgerinitiatief van de groep zich niet goed verhield tot het huidige stelsel, maar er wel verder nagedacht moest worden over de aandachtspunten van het initiatief.

De VVD-fractie verzocht vervolgens verder onderzoek naar de juridische mogelijkheden en maatschappelijke dilemma’s van hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. Hiervoor is de ‘Commissie van wijzen inzake hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten’ ingesteld, ook wel Commissie-Schnabel genoemd, vernoemd naar de voorzitter Paul Schnabel. In hun rapport Voltooid leven, dat begin 2016 werd uitgebracht, concludeerde ze dat ruimere juridische mogelijkheden voor hulp bij zelfdoding onnodig en onwenselijk zijn. De zorgvuldigheidseisen in de wet zijn namelijk algemeen geformuleerd. Dat was een bewuste keuze van de wetgever om ruimte te laten voor toekomstige ontwikkelingen en inzichten. Nu de opvattingen in de juridische doctrine, de medische beroepsgroep en de samenleving zijn verschoven kunnen de algemeen geformuleerde eisen dan ook ruimer worden geïnterpreteerd. Daarvoor is verandering van de wet niet noodzakelijk.[4]

 

Wetsaankondiging

De christelijke partijen waren tevreden met het advies van de Commissie-Schnabel. Zij waren van mening dat de acceptatie van ouderdom veel meer aandacht verdient in onze samenleving. De regeringspartijen VVD en PvdA daarentegen waren teleurgesteld. Voor hen weegt het beginsel van zelfbeschikking in deze discussie het zwaarst.

Op 12 oktober 2016 komt het VVD-PvdA-kabinet dan ook tot haar standpunt dat zij toch een nieuwe wet wensen te gaan maken die de mogelijkheid geeft tot euthanasie voor ouderen die weloverwogen besluiten dat hun leven voltooid is, ook al is daar geen medische grondslag voor aanwezig. Minister Schippers van Volksgezondheid en minister van der Steur van Veiligheid en Justitie, die de brief aan de Tweede Kamer namens het kabinet schreven, willen een parallelwet maken. Ze wensen de huidige wet niet te veranderen, maar willen er een naast zetten die de mogelijkheid van voltooid leven explicieter vast gaat leggen. Het besluit gaat totaal in tegen het uitgebrachte advies van de Commissie-Schnabel.

 

Opinie

Mijns inziens is het geen goede keuze om het advies van de Commissie volledig te negeren. De huidige Euthanasiewet biedt al genoeg ruimte voor ontwikkeling, dus een parallelwet maken is zinloos. Het enige wat het kabinet hier nu mee bereikt is dat ze het gevoel wekken bij de samenleving dat er naar ze geluisterd wordt. Deze actie van het kabinet lijkt dus slechts een politieke zet in het licht van de aankomende verkiezingen.

Daarnaast lijkt het mij niet wenselijk, dat de optie voor euthanasie bij voltooid leven zonder medische grondslag, zo expliciet wordt gelegaliseerd. De overheid legt daarmee de nadruk op de ‘snelle uitweg optie’ en niet op de optie voor hulp bij het bestrijden van dergelijke gevoelens. Juist bij hulpbehoevende en kwetsbare individuen is de beschermende rol van de overheid belangrijk. Naar mijn mening hoeft euthanasie bij een voltooid leven niet expliciet te worden gelegaliseerd, als de wet al genoeg ruimte biedt om in sommige gevallen waarbij we het wenselijk achten, te oordelen dat een strafuitsluitingsgrond aangenomen kan worden. Juist bij zulke morele kwesties is elke situatie weer helemaal anders en wenst elke situatie weer een andere uitkomst. De wet moet daarvoor ruim en flexibel blijven.

Gelukkig betreft het hier slechts een wetsplan en nog geen wetsvoorstel. Er is dus nog voldoende tijd om te discussiëren over de eventuele complicaties die aan het licht kunnen komen bij uitvoering van het plan om een parallelwet te maken. Het ‘voltooide leven’ wordt een onderwerp in de verkiezingscampagne.

 

 

 

 

[1] KNMG-standpunt: De rol van de arts bij het zelfgekozen levenseinde (Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van der Geneeskunst), 2011.

[2] KNMG-richtlijn: Euthanasie bij een verlaagd bewustzijn (Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van der Geneeskunst), 2010.

[3] HR 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8772.

[4] Voltooid leven (Commissie van wijzen inzake hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten), Den Haag: 2016.

About the Author

Eline van Hoek is sinds 2016 redactrice van SecJure. Ze volgt momenteel de bachelor Fiscaal Recht aan Tilburg University.

 

Leave a Reply