Het leerstuk van vereenzelviging

december 9, 2016 at 12:22 pm  •  0 Comments  •  1193 views

By

Inleiding

Ondernemingsrechtstudenten zullen er wellicht wel eens van hebben gehoord: het leerstuk van vereenzelviging. Het leerstuk van vereenzelviging is een interessant leerstuk dat de rechter kan toepassen in gevallen van misbruik van identiteitsverschil. Bij vereenzelviging wordt het identiteitsverschil tussen rechtssubjecten volledig weggedacht. Misbruik van het identiteitsverschil kan zich bijvoorbeeld voordoen in het geval dat een nieuwe vennootschap wordt opgericht met het doel om het verhaal van derden te frustreren. In een dergelijk geval worden bijvoorbeeld de activiteiten ondergebracht in een nieuwe rechtspersoon en worden de crediteuren van de oude vennootschap achtergelaten in een lege vennootschap. Het leerstuk van vereenzelviging heeft zich tegen deze achtergrond in de rechtspraktijk ontwikkeld, aldus Bartman e.a.[1]

Vereenzelviging nader uitgelegd

In de regel hebben rechtssubjecten een eigen identiteit. In bepaalde gevallen kan een uitzondering op deze regel worden gemaakt. In die gevallen wordt aan het identiteitsverschil voorbijgegaan: het identiteitsverschil wordt weggedacht, of met andere woorden: de rechtspersoonlijkheid van de betrokken rechtspersoon wordt terzijde gesteld. Vereenzelviging lijkt tot op een zekere hoogte op doorbraak van aansprakelijkheid. Bij doorbraak van aansprakelijkheid is echter sprake van het gedeeltelijk wegdenken van het identiteitsverschil, terwijl bij vereenzelviging sprake is van het volledig wegdenken van het identiteitsverschil. Bij doorbraak van aansprakelijkheid kan de schuldeiser zich verhalen op het vermogen van het ene rechtssubject voor schulden van het andere, formeel aansprakelijke rechtssubject. Bij vereenzelviging wordt een eigenschap, een bepaalde wetenschap, een gedraging, een of meer goederen en/of een verplichting van het ene rechtssubject toegerekend aan het andere rechtssubject.[2]

Vereenzelviging wordt door de rechter toegepast om een bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld het bevorderen van redelijkheid en billijkheid. Meer specifiek bewerkstelligt de vereenzelviging een toerekening dat bepaalde kennis, eigenschappen, gedragingen en/of verplichtingen van het ene rechtssubject als het ware worden omgevormd tot eigen kennis, eigenschappen, enz. van het andere rechtssubject. Doordat de betrokken rechtssubjecten op die wijze aan elkaar worden gelijkgesteld, kan een bepaalde rechtsvordering tegen het vereenzelvigde rechtssubject worden ingesteld.[3]

Jurisprudentie

Uit de rechtspraak is (nog) geen duidelijk norm gebleken in welke gevallen vereenzelviging kan worden toegepast. De criteria voor vereenzelviging zijn erg uiteenlopend en hangen sterk af van de omstandigheden van het geval. Dit zorgt voor rechtsonzekerheid.

Bovendien zijn rechters erg terughoudend met het toepassen van de vereenzelviging. Wanneer men met een actie uit onrechtmatige daad hetzelfde bereikt als wat men met een beroep op vereenzelviging had kunnen bereiken, dan zal een beroep op vereenzelviging waarschijnlijk niet slagen.[4] De Hoge Raad beschouwt de weg van vereenzelviging als ultimum remedium en beperkt vereenzelviging nadrukkelijk tot evidente misbruiksituaties: geknutsel met rechtspersonen om bepaalde ongewenste rechtsgevolgen te vermijden, bijvoorbeeld door middel van het oprichten van een nieuwe vennootschap zodat schuldeisers van de oude vennootschap geen verhaal meer kunnen halen.[5] Volgens Bartman e.a. mag men aannemen dat vereenzelviging eerder zal worden toegepast om de omzeiling van dwingende rechtsplichten te voorkomen, dan voor het vestigen van aansprakelijkheid.[6]

Zoals al werd aangestipt hangt het sterk af van de feiten of vereenzelviging kan worden toegepast.[7] De Hoge Raad heeft zich vooralsnog niet gewaagd aan algemene regels voor een (geslaagd) beroep op vereenzelviging.[8] Een belangrijke voorwaarde voor een succesvol beroep op vereenzelviging kan zijn dat de beslissende zeggenschap die de moeder/aandeelhouder krachtens aandelenbezit kan uitoefenen in een of meer verbonden vennootschappen, maar het is geen beslissende factor.[9] Andere elementen die medebepalend kunnen zijn, zijn vermogensvermenging,[10] opgewekte schijn van (mede)gebondenheid of bevoegdheid,[11] toezeggingen,[12] wets- of rechtsontduiking,[13] de complexiteit van de concernstructuur[14] en misbruik van vennootschapsrecht, respectievelijk het zich verschuilen achter de rechtspersoonlijkheid.[15]

De rechtsregel die uit het Citco-arrest volgt is dat misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen twee rechtspersonen die door dezelfde persoon worden beheerst en dat zodanig misbruik in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd.[16]

In het arrest inzake Roco/Staat werden de vereisten voor de toepassing van vereenzelviging aangescherpt. De Hoge Raad overwoog in dit arrest dat vereenzelviging slechts mogelijk is tussen rechtssubjecten (natuurlijke personen en rechtspersonen), en niet tussen ondernemingen, omdat ondernemingen geen rechtssubjecten zijn.[17]

Uit het Rainbow-arrest volgt dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van vereenzelviging vooropgesteld moet worden dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Tot zover een herhaling van het hiervoor genoemde Ctico-arrest, Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersoon tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen – het volledig wegdenken van het identiteitsverschil – de meest aangewezen vorm van redres is. In het onderhavige geval ging vereenzelviging volgens de Hoge Raad te ver.[18] Hieruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad uitzonderlijke omstandigheden verlangt, wil een beroep op vereenzelviging als grondslag voor (doorbraak van) aansprakelijkheid kunnen slagen. Welke uitzonderlijke omstandigheden nodig zijn voor een geslaagd beroep op vereenzelviging, is vooralsnog onduidelijk. Vereenzelviging wordt door de Hoge Raad gezien als een stap verder dan een beroep op onrechtmatige daad.

Een zekere mate van verwevenheid tussen rechtssubjecten is een minimumvereiste voor vereenzelviging, zoals blijkt uit de zaak Paas/Carabain. Volgens het gerechtshof kan bijvoorbeeld sprake zijn van een zekere mate van verwevenheid in geval de ene rechtspersoon de bedrijfsactiviteiten van de andere rechtspersoon overneemt of indien er sprake is van willekeurige overheveling van vermogensbestanddelen van de ene naar de andere rechtspersoon. Een zekere mate van verwevenheid is echter op zichzelf onvoldoende grond voor vereenzelviging.[19] In CEG/Liberec c.s. was de organisatorische verwevenheid volgens de rechtbank groot, doordat CEG voor 50% aandelen hield in MEI, de beherend vennoot van Liberec, en CEG tot medio 2007 (indirect) zitting had in het bestuur van MEI. Echter, zo oordeelde de rechtbank, zijn door Liberec en MEI geen feiten gesteld op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de organisatorische verwevenheid tussen CEG en Liberec zo uitzonderlijk van aard is dat CEG en Liberec met elkaar moeten worden vereenzelvigd.[20]

Conclusie

Uit de rechtspraak zijn geen algemene toepassingscriteria af te leiden waaraan voldaan moet worden wil een beroep op vereenzelviging slagen. Een belangrijke voorwaarde voor een succesvol beroep op vereenzelviging is een zekere mate van verwevenheid tussen de rechtssubjecten, maar zoals blijkt uit CEG/Liberec c.s. is een zekere mate van verwevenheid op zichzelf onvoldoende grond voor de vereenzelviging. Zoals genoemd zijn andere medebepalende elementen: vermogensvermenging, opgewekte schijn van (mede)gebondenheid of bevoegdheid, toezeggingen, wets- of rechtsontduiking, de complexiteit van de concernstructuur en misbruik van vennootschapsrecht, resp. het zich verschuilen achter de rechtspersoonlijkheid. Uit het Rainbow-arrest blijkt dat een beroep op vereenzelviging alleen kan slagen wanneer sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Wanneer deze omstandigheden volgens de Hoge Raad uitzonderlijk zijn, wordt niet nader gespecificeerd. Ook is onduidelijk of er bepaalde omstandigheden zijn die zwaarder wegen dan andere omstandigheden ingeval van een beroep op vereenzelviging. Voor de rechtspraktijk zorgt dit voor rechtsonzekerheid omdat niet duidelijk is wanneer en of een beroep op vereenzelviging zal kunnen slagen. Meer zekerheid hieromtrent is daarom dan ook gewenst.

 


[1]      S.M. Bartman en A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2016, VIII.3.1.

[2]      J. Elbers, Misbruik van het identiteitsverschil en crediteursbenadeling (diss.), Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, p. 402.

[3]      J. Elbers, Misbruik van het identiteitsverschil en crediteursbenadeling (diss.), Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, p. 30.

[4]      S.M. Bartman en A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2016, VIII.3.3.

[5]      S.M. Bartman, ‘Onrechtmatige daad en vereenzelviging; een interactief paar’, WPNR 2000/6422, p. 795-797.

[6]      S.M. Bartman en A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2016, VIII.3.1.

[7]      Asser/J.M.M. Maeijer, G. van Solinge & M.P. Nieuwe Weme 2-II (2009), nr. 835.

[8]      S.M. Bartman en A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2016, VIII.3.2.

[9]      Vgl. S.M. Bartman en A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2016, VIII.3.3; Hof Leeuwarden 27 juli 2005, JOR 2005 (Paas/Carabain); en Rb. Noord-Nederland 21 januari 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:151 (CEG/Liberec c.s.).

[10]    Rb. Amsterdam 20 januari 1994, KG 1994, 79 (Café De Zeilvaart).

[11]    Vgl. Rb. Dordrecht 9 mei 1984, NJ 1986, 285 (Frisol).

[12]    Vgl. Rb. Arnhem 22 mei 1984, KG 1984, 180 (Food Studio); Hof ’s-Hertogenbosch 10 december 1985, NJ 1986, 787 (Theuns/Hesselmans).

[13]    Vgl. Pres. Rb. Amsterdam 5 januari 1995, KG 1995, 109 (ptaszyk/KvK).

[14]    Hof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2015, JOR 2015/104, m.nt. Bartman. Het ging in deze zaak niet om vereenzelviging, maar de vergaande vervlechting speelde wel een belangrijke rol om de schijn van vertegenwoordiging aan te nemen en daarmee een vergelijkbaar doel te bereiken.

[15]    S.M. Bartman en A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2016, VIII.3.3.

[16]    S.M. Bartman en A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2016, VIII.3.2.

[17]    Asser/J.M.M. Maeijer, G. van Solinge & M.P. Nieuwe Weme 2-II (2009), nr. 835.

[18]    HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480 (Rainbow).

[19]    Hof Leeuwarden 27 juli 2005, JOR 2005 (Paas/Carabain), r.o. 3.1.

[20]    Rb. Noord-Nederland 21 januari 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:151 (GEG/Liberec c.s.), r.o. 4.3.

About the Author

Mika Klaus is de hoofdredacteur van SecJure. Na haar bachelor Ondernemingsrecht volgt ze op dit moment de masteropleidingen Ondernemingsrecht, International Business Law en Law & Technology aan Tilburg University.

 

Leave a Reply