By

Afgelopen woensdag vond de tweede zittingsdag van het proces tegen Bart van U. plaats. Van U. wordt verdacht van de moorden op oud-minister Els Borst en zijn zus Loïs. Het Pieter Baan Centrum, waar Van U. enige tijd werd onderzocht, kwam tot de conclusie dat Van U. chronisch paranoïde en psychotisch is. Volgens het advies van de gedragsdeskundigen moet Van U. daarom als sterk verminderd toerekeningsvatbaar aangemerkt worden. Van U. werd niet als volledig ontoerekeningsvatbaar gezien, omdat er bij Van U. altijd een ‘klein stukje besef van keuzevrijheid’ zou zijn geweest. Het Openbaar Ministerie eiste daarom, naast gevangenisstraf, ook tbs met dwangverpleging en volgde daarmee het advies van de gedragsdeskundigen op.

Alhoewel er nog geen uitspraak is gedaan in deze zaak, is de kans groot dat de rechter, net als het OM, mee gaat in het oordeel van de gedragsdeskundigen. De expertise van rechters reikt immers niet zo ver, dat zij kunnen oordelen over de psychische toestand van verdachten. Zij zullen dus moeten vertrouwen op de deskundigheid van psychiaters en psychologen. In de praktijk blijkt dan ook dat rechters vrijwel altijd meegaan in het oordeel van gedragsdeskundigen en zelden het onderzoek in twijfel trekken.[1]

Hiermee nemen gedragsdeskundigen een stevige positie in binnen het strafrecht. Zij oordelen immers over de (on)toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, en daarmee over een eventuele straf of (tbs) maatregel voor de verdachte. Dit betekent uiteraard dat het onderzoek aan zware kwaliteitseisen moet voldoen. Toch bestaat er veel discussie over de betrouwbaarheid van gedragsdeskundige onderzoeken in strafzaken. Niet zelden oordelen verschillende gedragsdeskundigen verschillend over een verdachte in een strafzaak.[2] Zo werd de Noor Anders Breivik[3] eerst ontoerekeningsvatbaar en later toerekeningsvatbaar verklaard.

Om uitspraken te kunnen doen over de betrouwbaarheid van het gedragskundig onderzoek in strafzaken (in Nederland), dient eerst besproken te worden wat een dergelijk onderzoek inhoudt en aan welke eisen het moet voldoen. Verder is het van belang de verhouding tussen de psychiatrie en het recht in kaart te brengen. Hoe kan een psychiatrisch oordeel omgezet worden in een juridisch oordeel?

 

Rapportage Pro Justitia

De officier van justitie of de rechter-commissaris kan een onderzoek Pro Justitia gelasten indien het vermoeden bestaat dat een verdachte een ten laste gelegd feit (mede) ten gevolge van een psychische stoornis pleegde. Het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) stelt dan een onafhankelijke gedragsdeskundige in die het onderzoek kan uitvoeren. Dit zijn forensisch opgeleide psychiaters en psychologen, die van hun onderzoek een rapportage Pro Justitia maken. Doel hiervan is een adequate voorlichting van het gerecht. De gedragsdeskundige dient antwoord te geven op een aantal standaardvragen[4]:

  1. Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?
  2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?
  3. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden)?
  4. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:
  5. Op welke manier dat gebeurde,
  6. In welke mate dat gebeurde,
  7. Welke conclusie aangaande de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is
  8. Welke factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene kunnen van belang zijn voor de kans op recidive?
  9. Welke andere factoren en condities moeten hierbij in ogenschouw worden genomen?
  10. Is iets te zeggen over eventuele onderlinge beïnvloeding van deze factoren en condities?
  11. Welke aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies op deze factoren en condities en hun onderlinge beïnvloeding en binnen welk juridisch kader zou dit gerealiseerd kunnen worden?

 

Toerekeningsvatbaarheid

Vraag 4c ziet op de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, zoals bedoeld in artikel 39 Sr: ‘’Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.’’ In de rechtspraktijk zijn vijf gradaties voor toerekeningsvatbaarheid ontwikkeld, te weten: volledig toerekeningsvatbaar, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar, verminderd toerekeningsvatbaar, sterk verminderd toerekeningsvatbaar en volledig ontoerekeningsvatbaar.

Toerekeningsvatbaarheid is dus bij uitstek een juridisch begrip. De rechter dient de vraag te beantwoorden of het strafbare feit de verdachte kan worden toegerekend. De rechter verwacht daarbij een oordeel van de gedragsdeskundige over de mate van de (juridische) toerekeningsvatbaarheid. Sommige wetenschappers bepleiten dan ook dat gedragsdeskundigen zich niet langer moeten uitlaten over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Toerekeningsvatbaarheid is geen begrip in de psychiatrie en een oordeel hierover zou dus aan de rechter over gelaten moeten worden. Psychiaters en psychologen stellen hun diagnose aan de hand van termen als stoornissen en gedrag en niet door de mate van toerekeningsvatbaarheid. Dit zou kunnen verklaren waarom gedragsdeskundigen soms verschillend oordelen.

 

Tijdsverloop

Tijd is een van de belangrijkste meetinstrumenten in de psychiatrie. Soms kan pas na verloop van tijd vastgesteld worden of iets een psychische stoornis is of niet. Tegelijkertijd krijgt een psychiater een verdachte pas voor zich als het strafbare feit reeds gepleegd is. Het valt niet altijd te achterhalen in hoeverre een eventuele stoornis op het moment van het plegen van het strafbare feit aanwezig was. Evenmin is het vaak onzeker hoe de stoornis zich in de toekomst gaat ontwikkelen. Er bestaat wel zoiets als risicotaxatie, maar dit geeft geen garantie. Toch verwacht het gerecht antwoorden op deze vragen, met name voor de strafoplegging en het eventuele recidivegevaar. Gedragsdeskundigen proberen hun oordeel dan ook zo goed mogelijk juridisch te vertalen.

 

De betrouwbaarheid van gedragsdeskundig onderzoek

Aldus volgt uit bovenstaande dat er veel onzekerheden bestaan in de psychiatrie. Diagnoses kunnen nooit met absolute zekerheid gesteld worden, het zijn slechts hypothesen. Dit maakt direct de discrepantie tussen de psychiatrie en het recht duidelijk. Het recht verwacht antwoorden die niet met zekerheid gegeven kunnen worden door de psychiatrie. Dat wil niet zeggen dat gedragsdeskundig onderzoek daarmee onbetrouwbaar is. De rechter dient zich bewust te zijn van het hypothetische karakter van het onderzoek, en daar een eigen afweging bij te maken. Wellicht dat een verschuiving van ‘het klakkeloos’ overnemen van het rapport, naar een meer kritische houding, op zijn plaats is.

 

________________________________________________________________________________

[1] C.M. van Esch, Gedragsdeskundigen in strafzaken, Assen: Van Gorcum 2012

[2] Zie bijvoorbeeld de zaak over Kim van Gelder uit 2013

[3] Anders Breivik pleegde in 2011 een bomaanslag bij het parlement en schoot 69 mensen dood op het eiland Utoya in Oslo.

[4] Standaardvraagstelling onderzoek en rapportage pro justitia

About the Author

Gerry is sinds september 2015 redacteur bij SecJure en volgt de master Rechtsgeleerdheid. Zij zal voornamelijk artikelen schrijven over het strafrecht en het contracten- en aansprakelijkheidsrecht.

 

Leave a Reply